Geloof (deel 2). | Jezus zegt: "Heb geloof in Mij en Ik zal u de Heerlijkheid Gods laten zien" |
Abraham: geloofsheldenAls we het geloven in het oude testament bekijken, ligt het voor de hand om te beginnen bij Abraham. Toch is er van het geloof van anderen, voor Abraham, ook nog wel wat te zeggen. Adam geeft de schepping over in de handen van de aanklager, terwijl hij diep in zijn hart al weet, dat het eens weer in orde komt. Noach begint aan een enorm project, waarvan niemand in zijn dagen het eind kon inschatten. Zij beiden deden dat in het geloof. In de zekerheid dat God zou doen wat Hij beloofde. Dat was de grond voor hun handelen: hetgeen wat God in het vooruitzicht had gesteld. En dan met name dat wat God zelf tot stand zou gaan brengen. Het woord dat in het oude testament voor geloof wordt gebruikt (he'emin), komt van het woord amen af. Geloven is dan in feite zoveel als "er amen op zeggen". Of "Het zij zo". Als we in de gemeente amen zeggen op een gebed, zeggen we in feite: "dat geloven we". Of nog anders: "zo zal het geschieden". En dan is het nog niet eens zo, dat je er alleen maar amen op zegt en vervolgens over gaat tot de orde van de dag. Het beheerst vanaf dat moment je hele hebben en houwen. Je handel en wandel wordt door dat geloof bepaalt. Vandaar dat Noach een ark bouwde. Daarom gaf Adam de schepping over. En daarom vertrok Abraham uit het land van zijn maagschap. Het beheerste hun hele denken en bestaan. Het ja zeggen op hetgeen God had gezegd, had derhalve grote consequenties. |
Abraham en zijn geloof: BeloftenAls Abraham zijn beloften krijgt, reageert hij met geloof. Als je de geschiedenis van de belofte leest, zie je dat het geloof een (re)actie van Abraham zelf is op het woord van God:
Hier blijkt al, dat het geloof van Abraham was, waaraan God met zijn Woord appeleert. De houding van Abraham was voor God grond om zijn geloof tot gerechtigheid te rekenen. Met andere woorden: het concrete en menselijke handelen van Abraham op basis van het spreken van God, werd door God geheiligd. Paulus ziet het geloof van Abraham derhalve niet als een werk, maar als een reactie van de mens op de belofte van God:
Wat je bij Abraham duidelijk ziet terugkomen is, dat Abraham zijn geloof richt op de woorden van God. Daarnaast verstevigen (funderen) de woorden en beloften van God het geloof van Abraham. En uit het handelen van Abraham blijkt zijn geloof:
Hier wordt helder, dat het geloof van Abraham samenwerkt met zijn werken. Jacobus drukt zich in zijn brief, voor onze begrippen, op het eerste gezicht wat tegenstrijdig uit:
Wat Jakobus echter wil zeggen is dat Abraham door het geloof ja zei tegen de beloften van God. En dat het bewijs daarvan werd geleverd door hetgeen Abraham er vervolgens mee deed. Het gaat dus niet om het resultaat op zich, maar om de drijfveer er achter. |
Geloof komt tot leven.Het geloof van Abraham kwam als het ware tot leven door het woord van God. Dat woord bracht het geloof van Abraham in beweging. Het woord bracht via het geloof van Abraham werken voort, die het geloof in de woorden van God vervolgens bevestigden. God had hem een belofte gegeven, dat hij een groot volk zou worden. Dit was heel concreet. Maar even zo concreet was het voor Abraham onmogelijk om nog kinderen te krijgen:
Wat zou het geloof van Abraham zijn geweest? Waarin zou hij niet verflauwd zijn? Het bijzonder is dat Paulus het hier zo concreet noemt: Abrahams eigen lichaam was verstorven en Sara's moederschoot was gestorven. Ik denk, dat Abraham regelmatig met Sara het bed deelde om nageslacht te verwekken. Ondanks het feit, dat het menselijk gesproken nutteloos was. Per slot van rekening is de belofte het begin, maar uiteindelijk gaat het erom dat Abraham vader wordt en dat kan maar op één manier. Het geloof van Abraham (en dat van Sara!) blijkt dus in het bijzonder uit het feit, dat ondanks de wetenschap dat ze allebei niet meer in staat zijn om voor nageslacht te zorgen, ze toch over hun handelen geen gras laten groeien. God heeft hun uitermate gezegend. Ze moesten zelf echter hun steentje ook bijdragen. Een zoon komt nu eenmaal niet uit de lucht vallen.
Abraham zelf heeft niet getwijfeld door ongeloof. Als hij dat wel had gedaan, was Abraham doodeenvoudig niet in beweging gekomen en zou Izaäk uiteindelijk nooit het levenslicht hebben gezien. Dat ongeloof zou voortkomen uit de aanklacht dat zijn schoot en die van Sara reeds gestorven waren. En blijkens de tekst in Romeinen is die gedachte vaak in hem opgekomen. Maar hij hield vast aan hetgeen God had beloofd. Dat heeft hem kracht gegeven, naarmate de jaren verstreken. Hij was er van overtuigd dat Deze zou volbrengen wat Hij had beloofd. Dat is genade: God doet wat Hij belooft. Ongeacht de reactie van de mens. De mens bepaalt echter wel door zijn reactie, dat wil zeggen: door zijn geloof, of hij deel heeft aan de uitkomst of niet. |
Lees het volgende deel van dit artikel




