Geloof (deel 5). | Jezus zegt: "Heb geloof in Mij en Ik zal u de Heerlijkheid Gods laten zien" |
De mate van geloof: meer van hetzelfdeUit de voorbeelden uit het vorige stuk blijkt, dat het behoud op zich niet met mate is: voor de één is het niet meer of minder dan voor de ander. Voor iedereen geldt hetzelfde. De mate van vrucht dragen is echter wel afhankelijk van de mate waarin het geloof van de mens zelf aanwezig is. F.J. Pop zegt het in zijn boek "Bijbelse Woorden en hun geheim" als volgt:
Ik deel dan ook volkomen de conclusie van Pop als het gaat om het geloof in de vier evangeliën:
Omdat het een daad van mènsen is, kan er sprake zijn van diverse graden van geloven; ook van weigering om te geloven (ongeloof). De mensen, die geloven, zijn Joden of heidenen. De Joden komen echter het eerst in aanmerking, het in Christus verschenen heil door het geloof te ontvangen. Telkens blijkt, dat met name de zieken en gestranden wèl geloven, en dat de gezonden en wetsgetrouwen niet ontvankelijk zijn. Geloven is evenals zich bekeren noodzakelijk omdat het koninkrijk Gods nabij gekomen is. Wie niet gelooft, weigert de juiste houding aan te nemen tegenover hetgeen God bezig is te doen, en pleegt daarmee verzet. Ongeloof is daarom rebellie, zonde, schuld. Geloven daarentegen is, God zijn gang laten gang; Hem laten doen wat Hem behaage voor Hem beschikbaar zijn, opdat zijn woord zal geschieden. Voorbeeld daarvan is Maria (Luc. 1:38). Geloven is in de synoptici christocentrisch en eschatologisch bepaald, omdat het zich richt op wat God in en door Christus begonnen is te doen en op de voleinding daarvan. Aanvullend kan ik stellen, dat het geloof (als je let op de manier waarop er over gesproken wordt) zeker niet wordt gezien als iets dat je speciaal moet krijgen. Deze gedachte zal ik nog meer onderbouwen, als we toekomen aan de brieven van Paulus. Geloof zou je kunnen zien als een functie van de menselijke geest (dieren hebben geen geloof). Elk mens heeft er een bepaalde mate van. Een mens zonder geloof leidt aan manische depressiviteit en zal uiteindelijk misschien een eind aan zijn leven maken. En elk mens gaat ook op een bepaalde manier om met de functie. Juist omdat elk mens het heeft, kan het niet worden gezien als een "werk" of een "arbeid", waarvoor je beloont moet worden of waardoor je meer waard! bent dan die ander met minder geloof. Hooguit kun je zeggen, dat de één goed - en de ander niet goed gelooft. De één heeft een bijbels (op God gericht geloof). De ander heeft een op zichzelf of op de boze gericht geloof. Het geloof (znw) is de motor van het voertuig. Er moet alleen (goede!) benzine in, zodat de motor optimaal draait en we op de plaats van bestemming kunnen komen. De route van de reis wordt door Degene verstrekt, die ook de brandstof geeft. In feite is dat de inhoud van het geloof (zelfstandig naamwoord: de definitie van Hebr. 11), die weer sturing geeft aan de uitwerking van het geloof ( geloven als werkwoord). |
Geloof in handelingen: De Heilige GeestAls het gaat om het principe van geloven, zoals dat in het oude verbond werd toegepast, is er weinig verschil met het geloof, zoals dat in de evangeliën wordt aangereikt. De reden hiervoor is het feit, dat de Heilige Geest nog niet is uitgestort op het moment, dat Jezus op de aarde rondloopt. Het enige, dat de toehoorders kunnen constateren is dat het geloof, of anders gezegd, de manier van geloven, een vervulling heeft gevonden in de persoon van Jezus Christus. Men ziet het functioneren in Jezus' handel en wandel. Zag men het in het oude verbond nog vanuit de verte, als iets dat werd aangekondigd, nu is het realiteit. Maar dan alleen in de Ene, die man van Nazareth. Er ontbrak dus voor de omstanders en toehoorders van het eerste uur, nog iets aan. Hetgeen Jezus zo duidelijk manifesteerde en verkondigde, was nog niet voor iedereen beschikbaar. Als het ging om de kracht en de mogelijkheid om het zo duidelijk begeerde geloof werkelijk uit te oefenen, schoot men concreet te kort. Men kon de hand er nog niet op leggen. Er bestond nog altijd de reële mogelijkheid om weer terug te vallen op het alom bekende prestatie-geloof. Men kende dat uit de wet. Volgens de wet werd een beloning in het vooruitzicht gesteld voor een goed uitgevoerde handeling. Loon naar werken. Dit uitleggen en in een juist perspectief zetten, zou later voor Paulus één van de zwaartepunten worden in de prediking van het evangelie. Jezus liet echter iets anders zien. Hij toonde, dat je in ontspannenheid met God de Vader kon wandelen. Maar voor de gemeente werd alles pas echt anders na Zijn opstanding en Hemelvaart. Het geloof, dat altijd nog vanuit de verte werd aanschouwd, kwam binnen bereik. Het had alles te maken met de Helper die in het vooruitzicht werd gesteld: de Heilige Geest. God had in zijn enorme en oneindige wijsheid besloten door zijn Geest, iets van zijn eigen wezen in de mens uit te storten, waardoor het geloof in een hogere versnelling kon functioneren. Maar niet alleen dat; door de inwoning van God zelf, werd het geloof in een voortdurende relatie gehouden met de motiverende en inspirerende kracht van zijn Geest. Door de Geest werden alle gelovigen van het eerste uur overgebracht in een onlosmakelijke verbinding met de levende God. Het geloof van de mens leerde het inzicht en de kennis nu niet meer van derden, maar rechtstreeks van de Geest uit God. Maar het bleef hetzelfde vermogen. Het was nog steeds die menselijke functie, die nieuwe glans kreeg. Een nieuwe glans. De glans van het hemelse. Het geloof van de mens, als eigen functie en mogelijkheid om tot actie te komen, kreeg door de genade van Gods Geest een nieuwe dimensie. Schoot het geloof, oftewel het vermogen tot handelen, eerst ernstig tekort, nu was de hemel de limiet. Nu waren alle dingen mogelijk geworden voor hem, die gelooft. |
Lees het volgende deel van dit artikel




