Geloof (deel 3). | Jezus zegt: "Heb geloof in Mij en Ik zal u de Heerlijkheid Gods laten zien" |
De twaalf verspieders: Ontbreken van geloofIn de geschiedenis van de twaalf verspieders in Kanaän zie je iets anders. Het geloof ontbreekt bij 10 mannen. Zij blijven ten gevolge hiervan ongehoorzaam aan het woord van God. Twee mannen blijven echter staan in het vertrouwen, dat God doet wat Hij toezegt:
Het gaat dus om een interactie tussen de mens en God. Het gaat hier om een overgave. Een vertrouwen. Niemand die deze geschiedenis leest, zal staande kunnen houden, dat de tien mannen niet geloofden, omdat het hun nu eenmaal niet door God gegeven was. Alle Israëlieten zagen de wonderen en tekenen. Allen waren ze deelgenoot van de roeping en de beloften van God. Maar bijna het gehele volk weigerde om het geloof te richten op Degene, die sprak. Ze vertrouwden diep in hun hart niet op de Heer hun God. In Kaleb was echter een andere geest. Uit de context blijkt, dat met geest hier een hartsgesteldheid wordt bedoeld. Het gaat niet om een externe gift van God speciaal voor Kaleb. Dat wordt nog bevestigd doordat het woord in de voltooid verleden tijd staat. Het gaat om de houding die Kaleb had op het moment van de beproeving. Zijn hartsgesteldheid was positief op God gericht. Kaleb hield er met name aan vast op het moment dat de beproeving het grootst was. Hij heeft God derhalve volkomen gevolgd. Ook hier zie je dat de hartsgesteldheid van Kaleb (zijn "andere" geest) de grond wordt voor het handelen (het volkomen volgen van God). Let er ook op, dat niet het volkomen volgen van God hem in beloofde land bracht, maar zijn hartsgesteldheid, dat wil zeggen zijn geloof ( vertrouwen) op God. |
Jacob en geloof: ReactiesEen opmerkelijke reactie, als het gaat om het geloven, vinden we bij Jacob:
Jacob hoort van Jozef. Maar het brengt hem niet in beweging. De reden is, dat zijn hart er koud onder blijft. De blijde boodschap zette hem niet in vuur en vlam. Zijn geloof kon het niet grijpen. Vervolgens bleef hij dus passief zitten op de plek waar hij al die tijd al had gezeten. Als men echter met de bewijzen komt, ontdooit zijn hart:
Het slot van het liedje is dat Jacob in beweging komt en zelfs naar Egypte wil om zijn zoon te zien. Anders gezegd: woorden brengen iets over op de mens. Het geloof wordt geactiveerd. Vervolgens komt men tot handelen. Als er uit het woord geen handelen voortkomt, is het geloof dood. Het heeft dan geen werking. De kwaliteit van de woorden (of de autoriteit die men aan de spreker toekent) bepalen de mate van geloof. Dat is iets van de mens zelf. Alleen de mens draagt daarvoor de verantwoording. De inhoud van de woorden (hetgeen wordt beloofd of hetgeen dat wordt aangeboden) is genade. Het aanvaarden van de genade is naar de mate van de acceptatie van de toehoorder. Vandaar dat het feit van de behoudenis genade is; het aanvaarden van het aanbod van de behoudenis is op basis van het geloof van de mens zelf. |
Het offer van Jezus: ProjectieAls we dit op het offer van Jezus Christus projecteren krijgen we derhalve de Volgende stelling: het behoud via Jezus Christus is genade, je kunt er niets aan toevoegen of afdoen. Het aannemen van het behoud via Jezus Christus is naar de mate van het geloof. Dat is de (eind)verantwoording van de mens zelf. Deze is namelijk in staat om te weigeren. En als hij dat doet komt dat, omdat hij het woord van God niet gelooft. Liever gezegd: Hij gelooft wel, maar negatief. Je kunt in dit verband niet zeggen, dat de mens het geloof dus niet van God heeft ontvangen. Was dat wel het geval, dan had je hier een zuiver bewijs van uitverkiezing aan de hand. Hij richt zijn geloof echter niet op God en dat bewijst, dat hij verloren gaat. Met andere woorden: zijn (on)geloof veroorzaakt ook een handeling, namelijk de weigering om zich aan God toe te vertrouwen. Letterlijk, omdat er geen vertrouwen is. |
Tussen Oud en Nieuw: GereduceerdIn de periode dat Jezus op aarde rondwandelde, was de inhoud van het geloof gereduceerd tot het doen van goede werken. Was het oorspronkelijk in het oude testament een "ja-zeggen tegen God en zijn belofte" en vervolgens afwachten op het handelen van God. Nu was het een handelen vanuit de eigen kracht en vervolgens daarvoor een beloning verwachten. Loon naar werken. Prestatiegericht. De Schriftgeleerden hadden niet door, dat daarmee hun geloof was uitgehold. Hun handelen werd namelijk niet bepaald door de verwachting die zij van Gods handelen hadden: zij verwachtten dat God in actie zou komen op grond van hun werken. God hoefde, wat hun betreft, niet op hun hart te letten. Dat is maar goed ook, want de inhoud van hun hart was vergelijkbaar met een graf, levenloos, vol van dorre doodsbeenderen. |
Geloof en het Koninkrijk Gods: VervuldAls Jezus zijn rondwandeling begint, is het bijna het eerste dat Hij uitroept:
Hier wordt al duidelijk, dat het gaat om een geloof van de mens, dat zich richt op het openbaar worden van het Koninkrijk Gods. Want wat zegt Jezus hier nu eigenlijk? Ten eerste geeft Hij aan, dat de tijd vervuld is. Het wachten is voorbij. Je zou kunnen zeggen, dat Jezus hier aankondigt, dat hetgeen God al die tijd heeft beloofd, nu gestalte gaat krijgen. Het Koninkrijk Gods, dat een uitdrukking is van de heerschappij van God, is dichtbij gekomen. Het wil zeggen, dat de autoriteit van God op het punt staat om zich te openbaren. Het kijken vanuit de verte is voorbij. Nu is het de tijd van het aanraken. Het proeven. Het voelen. De oproep is derhalve duidelijk. Keer je om. Draai je weg van je eigen richting, van het wandelen in eigen kracht en richt je op dat Koninkrijk Gods dat nu naderbij is gekomen. Bekering, omdraaien: Eigen Actie. Dat bekeren dient de mens ook zelf te doen. De richting en de mogelijkheid worden door God bepaald, maar de handeling dient door de mens zelf te worden uitgevoerd. De mens dient zich te bekeren. Hij moet zich omdraaien. De condities worden door God gegeven. Maar het is niet alleen het omdraaien. Het is tevens het richten op het evangelie. Op deze manier wordt het evangelie de motivatie voor het omdraaien. |
Zelfredding?Je zou de vraag kunnen stellen of het dan niet een zelf-redding betreft. Is de mens dan toch afhankelijk van zijn eigen werken? De vraag komt voort uit een onbekendheid met wat er in feite plaatsvindt. Je zou het kunnen vergelijken met een erfenis. Die erfenis ligt voor je klaar. Daar heb je zelf niets aan gedaan. De enige die voor de nalatenschap heeft gezorgd, is degene die het in bezit heeft gehad. Daarnaast heb je het geluk, dat hij of zij jou kent en jou heeft bedacht in het testament. Daar zit geen draad eigen werk bij. De erfenis is genade. Maar vervolgens moet je wel naar de notaris. Daar neem je kennis van de waarde en kun je door middel van een handtekening, de erfenis in ontvangst nemen. Bij de bekering gaat het om de reactie van de mens op het Woord van God. Gaat hij er op in of wijst hij het af. Vergelijkbaar is het met het geloof. De behoudenis of de manifestatie van het Koninkrijk Gods is een erfenis. Die ligt klaar. Dan komt er een boodschapper aan de deur, die jou vertelt dat de erfenis klaar ligt. Het enige dat je daarvoor moet doen is je geloof in werking zetten, naar de notaris gaan en je handtekening zetten. Als je dat niet doet, als je niet in beweging komt en op weg gaat, zal de erfenis aan je neus voorbij gaan. |
Lees het volgende deel van dit artikel




