De grote ontkenning

IJdel­heid van denken

Wat zijn de rede­nen voor atheïsten,om niet in God te geloven?

Zomaar een vraag op een web­site. De vraag werd overi­gens gesteld door een christen.

Een gedeelte van één van de antwo­or­den luidde als volgt:

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat god bestaat of bestaan heeft”.

Richard Dawkins: een atheïst in de ware beteke­nis van het woord (zie de Dikke van Dale)

En dat zette mij aan het denken. Ten eerste al van­wege de arro­gantie die er uit deze ene opmerk­ing sprak. Want degene die dit antwo­ord gaf, was blijk­baar op de hoogte van alle rede­nen (die bestaan).

Van­daar dat zijn con­clusie was, dat er geen enkele reden is voor de aan­name dat er een god bestaat.

Zou deze per­soon god zijn? Maar dat kan niet, want dan was de opmerk­ing een leu­gen. Een zoge­naamd con­tra­dic­tie in ter­mina oftewel ‘een tegen­spraak in zichzelf’.

Beter was als hij had gezegd: “Ik ken geen reden …” ; dan was er een con­struc­tieve en wellicht ver­helderende dialoog ontstaan. Nu knalde hij de deur al dicht voor­dat deze van het slot kon wor­den gehaald.

Dom en kortzichtig

Het antwo­ord is wel inter­es­sant. Niet van­wege de inhoud, maar van­wege de vooron­der­stelling en onwe­tend­heid, die uit het deze zin blijkt.
Je zou immers ook kun­nen stellen: ‘Er is geen enkele reden om aan te nemen dat god niet bestaat’. Dat is namelijk waar het in feite omgaat: rede­nen oftewel logisch denken.

Nu is de mens in het alge­meen alleen maar in staat om te denken in kaders die door onze zin­tu­igen zijn gevormd. God of anders gezegd, de geestelijke (niet-natuurlijke) wereld, is nooit via onze zin­tu­igen te onder­zoeken. Bepaalde principes in de natu­urlijke wereld gelden daar doo­d­een­voudig niet.

Je kunt niet bewi­jzen dat God niet bestaat

Bewi­jzen dat God bestaat kan je dus niet. Maar net zo goed kun je niet bewi­jzen, dat Hij niet bestaat. Het enige dat je kan doen is redeneren. En dan hebben we eigen­lijk maar een paar instru­menten: de wet van oorzaak en gevolg en de wet van con­tra­dic­tie. Als men zich niet houdt aan deze twee wet­ten, is elke rede­natie waarde­loos, want niet te doorgronden.

Daar­naast dient men zich te houden aan de defin­i­ties die men afspreekt. Je kri­jgt anders te maken ‘parallel-gesprekken’: men heeft het, zon­der het door te hebben, over ver­schil­lende zaken.

Als je dus stelt: ‘er is geen enkele reden om aan te nemen dat…’, geef je hier­mee dus aan, dat je alle rede­nen kent. En dat is natu­urlijk niet zo.

Als je het niet weet, moet je ergens van uitgaan

Het aan­nemen of ver­w­er­pen van een rede­natie komt dus voort uit een vooron­der­stelling. Een goede rede­natie leidt namelijk altijd tot een con­clusie of een con­se­quen­tie. Het praten over koet­jes en kalf­jes is daarom geen redeneren.

Ik durf dus te bew­eren, dat een atheïst niet gelooft, omdat hij dat niet wil. Net zoals iedereen accepteert hij daar­bij alleen de rede­nen die overeenkomen met zijn eigen uit­gangspunt. Rede­nen die legi­t­iem tot een andere con­clusie zouden lei­den, negeert hij doo­d­een­voudig. Let wel op, dat we alle­maal die neig­ing hebben. Dus ook gelovigen.

Met andere woor­den: er zal nooit iemand tot geloof komen door goede rede­naties. Je geloof wordt er wel door onder­s­te­unt. Maar dan is wel van belang wat je onder ‘geloof’ ver­staat. In Chris­telijk religieuze zin is het ‘visie en vertrouwen’ dat door God zelf in het hart van de gelovige wordt gelegd en in niet-religieuze zin is het ‘iets aan­nemen, waar­van het bewijs nog niet is geleverd’. Het eerste is ‘geloof’ dat God doet wat Hij belooft en het tweede is het ‘ervar­ings­geloof’ waar we alle­maal elke dag mee te maken hebben.

Wat is een atheïst?

NB: De Dikke van Dale omschri­jft een atheïst als iemand die het ‘bestaan van een god­heid ontkent’. En dat is alweer inter­es­sant, want er wordt niet gezegd, dat een atheïst ‘weet’ dat er geen god is. Met andere woor­den: hij kan het ook niet bewi­jzen, maar ‘ont’kent doo­d­een­voudig het bestaan. Op dit punt komt de bij­bel met het state­ment, dat ‘ieder mens ‘weet’ dat God bestaat en zelfs dat Hem alle aan­bid­ding toekomt:

  • Romeinen 1:20–21 “Want het­geen van Hem niet gezien kan wor­den, zijn eeuwige kracht en god­delijkheid, wordt sedert de schep­ping der wereld uit zijn werken met het ver­stand doorzien, zodat zij geen verontschuldig­ing hebben. Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God ver­heer­lijkt of gedankt, maar hun over­leg­gin­gen zijn op niets uit­gelopen, en het is duis­ter gewor­den in hun onver­standig hart.”

Hier­mee kri­jgt het voor­voegsel ‘ont’ wel extra beteke­nis. De oud­er­wetse beteke­nis van het woord ‘beken­nen’ is ‘gemeen­schap hebben met’ in de zin van intiem con­tact. Ontken­nen staat daar in beteke­nis tegen­over. Net zoals bedekken tegen­over ont­dekken staat.

De Dikke van Dale beves­tigt met de uit­leg van het begrip atheïsme de gedachte, dat een atheïst van het bestaan van god afweet, maar het ontkent. Daarmee is de atheïst gewor­den tot een leu­ge­naar. En o ja, dit wordt ook door de Dikke beves­tigt, want deze noemt de atheïst tevens een god­loochenaar. En zoals we begri­jpen: je kunt alleen iets (ver)loochenen als je weet dat het bestaat. Dat zit ‘m in de beteke­nis van het loochenen.

Je bent dan beter af als agnost. Want deze ontkent niet (wat hij weet), maar weet niet wat hij weet. De atheïst schopt tegen iets aan. Iemand is rijp voor het ges­ticht als men aan­schopt tegen iets dat ‘niet is’ (verkort tot niets). We moeten dan zo iemand onder ther­a­pie stellen, zodat hij leert hoe de zaak werke­lijk in elkaar steekt. En voor­dat nu iedereen over mij heen valt:  ik zeg hier­mee dus juist, dat een atheïst NIET per defin­i­tie rijp is voor het ges­ticht. Juist omdat hij tegen ‘iets’ aan­schopt, ook al ontkent hij het. Een agnost gaat het gevecht doo­d­een­voudig uit de weg, omdat deze weet dat een dergelijke strijd op menselijk vlak (via het redelijke denken) nooit is te winnen.

Overi­gens loopt een chris­ten uitein­delijk ook risico’s te wor­den weggestopt in een ges­ticht. Als de god-loochende min­der­heid het op deze wereld voor het zeggen kri­jgt, is die sit­u­atie hele­maal niet meer zo denkbeeldig. Denk maar eens aan wat er staat in:

  • Open­bar­ing 11:8–10 ‘En hun lijk zal liggen op de straat der grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook hun Here gekruisigd werd. En uit de volken en stam­men en talen en natien zijn er, die hun lijk zien, drie en een halve dag, en zij laten niet toe, dat hun lijken in een graf wor­den bijgezet. En zij, die op de aarde wonen, zijn bli­jde en ver­heugd over hen en zullen elka­n­der geschenken zen­den, omdat deze twee pro­feten hen, die op de aarde wonen, gepi­jnigd hadden’.
Print Friendly

You must log in to post a comment.