
Een olijfboom, gefotografeerd in Griekenland
Zoals velen met mij, werp ik zo nu en dan een blik op het Christelijk Informatie Platform. Dit is een soort christelijke nieuwssite, waar men ook kan reageren op artikelen. Reageren doe ik niet zo snel, want ik heb het al druk genoeg met mijn eigen handel.
Om die reden heb ik mij geabonneerd op hun nieuwsbrief (aanbevolen). Je krijgt dan het laatste christelijke verzamelnieuws per e-mail toegestuurd, zodat je niet benauwd hoeft te zijn iets te missen. Een soort christelijke Privé, zeg maar.
Geïnspireerd door de nieuwsbrief, neem ik toch regelmatig een kijkje op het CIP om een artikel in z’n geheel te lezen. En soms lees ik dan, in de vaak vele reacties onder het artikel, een statement of een mening, die m’n aandacht triggert.
Zo ook onder het eerste artikel van Dick Baarsen: “Christenen zijn veelal onbekend met het Nieuwe Verbond”. Ik las daar het volgende:
“Beste Harm, Je ziet Romeinen 11 over het hoofd. Het nieuwe verbond was inderdaad in de eerste plaats bedoeld voor de joden. En als zij eenmaal tot inzicht komen, dan is het nieuwe verbond nog steeds voor hen bedoeld. Romeinen 11 zegt dat door hun (de joden) ongehoorzaamheid, wij (de heidenen) op de edele boom zijn geënt. We moeten ons daarop niet beroemen (dus geen vervangingstheologie), maar we mogen daar wel eeuwig dankbaar voor zijn.”
En dat zette mij weer aan het denken.
Een opmerking vooraf
In de loop van de jaren, bestudeer ik met zeer veel interesse de bijbel. En als ik over jaren spreek, dan bedoel ik vanaf 1966. Niet dat toen de bijbel bij mij die plaats innam, die hij nu wel doet. Maar sinds 1976 veranderde er iets wezenlijks. Toen kwam God met kracht bij mij op bezoek en liet een nieuwe bijbel achter. Niet dat het een ander boek werd, maar mijn blik werd vernieuwd. Ook begon ik toen de bijbel in de context te lezen. Van begin tot eind. En het was net alsof er iets geheel anders stond. Ineens vielen allerlei puzzelstukjes op hun plaats en begon ik verbanden te zien.
Dat proces is natuurlijk nog steeds bezig, want wie kan beweren, dat hij alles al weet. Ik zeker niet! Maar waar ik ook achter kwam, was dat vele christenen de platgetreden paadjes van hun voorgangers (voorvaderen) gaan. Men bouwt als het ware voort op wat anderen ontdekt hebben, zonder daarbij ooit de vraag te stellen of het wel de waarheid is. Daarnaast ontdekte ik, dat iedere christen voor zichzelf verantwoordelijk is en niet voor wat een ander doet of gelooft.
Zo is dat met heel veel zogenaamde waarheden, die in de loop van de eeuwen zodanig vaste grond hebben gekregen, dat niemand ze nog ter discussie stelt. Men praat er niet meer over, maar men verdeelt elkaar direct in kampen, van waaruit men de anders denkende vaak met veel geschreeuw, maar met weinig wol, tracht te overbluffen. Voorbeelden zijn de kinderdoop, de doop in de Heilige Geest, de onfeilbaarheid van de bijbel en ook: de positie van het volk Israël ten opzichte van de gemeente. En vooral bij het laatste laait de strijd regelmatig op. Waarbij vaak de partijen niet gehinderd worden, door enig verlangen om er achter te komen waarom die ander er nu anders over denkt. De reden hiervoor is, wat ik eerder noemde: men neemt de meningen van anderen over zonder dat men de consequenties voldoende heeft doordacht. De visie van iemand met gezag, wordt dan zo hoog aangeslagen, zodat men niet meer beseft, dat ook iemand met een titel (of vermeend) gezag zich kan vergissen.
Wie het weet mag het zeggen
Het punt is, dat we vaak, zonder het te beseffen, iets voor waar aannemen, zonder de inhoud te beproeven. Het veroorzaakt kretologie. Statements die als “waar” klinken, omdat iedereen het roept. Het gevolg is ook, dat een tekst in de bijbel vaak niet meer opnieuw wordt gelezen en herkauwd (overpeinzen, zoals Jozua het uitdrukt) en dat direct de interpretatie op tafel komt. Dit vervuilt echter de discussie mateloos, omdat er dan een hak-op-de-tak gesprek op gang komt, dat onvermijdelijk eindigt in een gevoel van irritatie bij alle betrokkenen. Het punt is dat we dan ook niet meer in staat zijn om de vinger op de zere plek te leggen, zodat we het gesprek weer enigszins vlot kunnen trekken.
De manier waarop ik op Koning Jezus.Info met de materie omga, is er door beïnvloed. Ik schrijf al sinds 1990 mijn artikelen. Ook heb ik al eindeloze discussie meegemaakt op diverse usenet-achtige forms. Wat ik in de loop van de tijd heb geleerd, is dat men de tekst uit de bijbel, die wordt geciteerd, niet of in elk geval nauwelijks leest. Men is al zo “ervaren”, dat men al begrijpt wat de tekst zegt, voordat men deze (echt) leest. Op Koning Jezus.Info gebruik ik om deze reden weinig teksten uit de bijbel. Wat ik wel doe, is opruien. Ik laat de lezer als het ware denken: “hé, wacht eens even, wat zegt ‘ie nou?” Ik heb liever, dat men de bijbel er bij pakt, om de tekst even op te zoeken. Lezers, zijn namelijk vluchtig, dus heb ik meer aan een zaadje dat misschien na vele dagen een beetje begint te ontkiemen. Wat ook wel gebeurt is, dat men er onwillekeurig en onder de oppervlakte over na blijft denken.
Nu dan mijn reactie
Zo het kader is gezet. Ik ga er dan ook vanuit, dat degene die het antwoord gaf op het CIP zich niet aangevallen voelt. Als dat wel het geval is, dan daarvoor bij voorbaat mijn excuses. Het is niet mijn bedoeling om mijn visie en mening als de enige ware te presenteren. Maar als iets in de openbaarheid wordt gezegd, dan moet degene die poneert, ook rekening houden met kritiek. Overigens geldt dat voor mij ook. Laat dat een troost zijn.
“Je ziet Romeinen 11 over het hoofd. Het nieuwe verbond was inderdaad in de eerste plaats bedoeld voor de joden”.
Ik weet niet waar dit staat. Let op: ik weet wel, dat het nieuwe verbond als eerste is AANGEBODEN aan de joden. Dat kunnen we lezen in de evangeliën. Maar bedoeld is het nieuwe verbond voor jood EN heiden. Dit is een uitdrukking die aangeeft, dat het voor ieder mens is. Niemand uitgezonderd. Bijbels (oud testamentisch) gezien spreek je over twee categorieën mensen: het volk Israël en de heidenen. In deze betekenis gaat het dan over een volk dat onder de bescherming valt (via een verbond) van God en een volk (dat geen volk is) waar God zich niet over ontfermt. Dat plan, dat bedoeld is voor iedereen, bestaat al vanaf het begin van de schepping. Het is zelfs de reden voor het scheppen van de mens.
In feite kun je zelfs zeggen, dat het verbond (het oude, vanuit ons standpunt gezien) met Israël er, vanwege hun ongehoorzaamheid, tussendoor kwam. Dat is namelijk het verbond van de wet. De schrijver van de Hebreeënbrief gaat hier verder op in.
Dat Jezus het nieuwe verbond aan de joden kwam aanbieden, had dan ook alleen maar tot doel om via de “nieuwe” gelovigen uit de joden, de rest van de wereld te bereiken. Je kunt echter zeggen, dat Jezus in die opzet uitstekend is geslaagd. De afwijzing van velen uit het volk, heeft in geen enkel opzicht een kink in de kabel veroorzaakt. Degenen die “niet wilden” hielden vast aan het oude verbond, dat van de wet. Maar omdat het oude verbond op het punt stond te verdwijnen, liep het ook voor degene die er aan wilden vasthouden op een eind. Het gevolg was dus uiteindelijk, dat het oude verbond gelijk werd gesteld aan elke andere religie, die door mensen in stand wordt gehouden.
“En als zij eenmaal tot inzicht komen, dan is het nieuwe verbond nog steeds voor hen bedoel”.
Dat is ook een wijdverbreid misverstand; dat op een bepaald moment de joden collectief “tot inzicht zullen komen”. De enige teksten die iets in die zin kunnen suggereren, vinden we in het oude testament. Op dit moment, zal ik hier niet al te diep op ingaan. Als een lezer hier op verder wil gaan, dan zie ik daartoe wel de vraag. Onder elk artikel is de mogelijkheid om te reageren. Dus voel je vrij.
Wat ik er nu over kwijt wil, is dat de jood in het nieuwe verbond gelijkgesteld is met de heiden. Paulus zegt:
- 2 Corinthiërs 3:14–16 Hun denken verstarde, en dezelfde sluier ligt tot op de dag van vandaag over het oude verbond wanneer het voorgelezen wordt. Hij wordt alleen in Christus weggenomen. Tot op de dag van vandaag ligt er een sluier over hun hart, telkens als de wet van Mozes wordt voorgelezen. Maar telkens als iemand zich tot de Heer wendt, wordt de sluier weggenomen.
Er is geen reden om aan te nemen, dat dit tot de “Heer wenden” collectief plaatsvindt. Paulus spreekt hier over de enkeling, de individuele jood. Blijkbaar spreekt God nog altijd tot het hart van de toehoorder van het oude verbond (de wet van Mozes). Dat is genade. Maar ook hier geldt, net als voor de heiden, dat de luisteraar zich tot de Heer moet wenden. Je zou hier kunnen lezen: bekeert, want wenden betekent in deze omkeren of bekeren.
De teksten in het oude testament die een collectieve inkeer suggereren, spreken echter niet over de periode na Christus, maar over de periode tijdens Christus. Die periode eindigt op de eerste pinksterdag, wanneer de Geest wordt uitgestort en daadwerkelijk versteende harten veranderen in harten van vlees:
- Ezechiël 11:19 Dan zal ik hen eensgezind maken en hun een nieuwe geest geven; ik zal hun versteende hart uit hun lichaam halen en hun er een levend hart voor in de plaats geven.
De opmerking vervolgt dan:
“Romeinen 11 zegt dat door hun (de joden) ongehoorzaamheid, wij (de heidenen) op de edele boom zijn geënt”.
Dit kan ik eveneens niet in Romeinen 11 terugvinden. Dit dwingt mij tot een stukje exegese:
- Romeinen 11:1 Ik vraag dus: Heeft God dan zijn volk soms verstoten? Verre vandaar! Want ook ikzelf ben een Israëliet, uit het geslacht van Abraham, uit de stam van Benjamin.
Paulus stelt een vraag en geeft zelf direct het antwoord. Het is echter niet het antwoord, dat men er meestal in leest.
Eerst stelt Paulus de vraag: Telt Israël dan niet meer mee? De achtergrond van de vraag is deze: Paulus heeft in eerdere hoofdstukken uiteen gezet, dat Israël en de wet er niet meer toe doen. De heiden en de jood zijn, als het gaat om de aanneming tot zonen in Christus gelijkwaardig. De lezer van de Romeinenbrief zou dus nu de conclusie kunnen trekken, dat er voor Israël geen hoop meer is en dat elke jood is verworpen.
En nu zegt Paulus: nee, zo ligt het niet. Kijk maar naar mij: ik ben zelf een jood. En ik ben wel degelijk tot geloof gekomen, DUS God heeft zijn volk niet verworpen. Ik, als aangenomen gelovige uit de besnijdenis, ben er het levende bewijs van. Paulus vervolgt dan:
- Romeinen 11:2–6 Neen, God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij uitverkoren had. Of weet gij niet, wat de schrift door Elias zegt, toen deze zich bij God over Israël beklaagde: Heer, uw profeten hebben ze gedood, uw altaren omver geworpen; ik alleen ben overgebleven, en ze staan me naar het leven. Welnu, wat antwoordt hem de godsspraak: “Zeven duizend mannen heb Ik Mij voorbehouden, die de knie niet voor Baäl hebben gebogen. Zo is er dan ook in deze tijd een overschot gebleven door de uitverkiezing der genade. Maar is het door de genade, dan is het niet om de werken; anders zou de genade geen genade meer zijn.
Hier wordt kernachtig uiteengezet, dat dit principe (dat van het overblijfsel, of rest) al in het oude testament (onder het oude verbond) bekend was. Net zoals er toentertijd ook een overblijfsel uit het volk overbleef, dat de Here trouw bleef, zo is er ook (op het moment dat Paulus dit schrijft) een rest of overblijfsel, dat de Here trouw is gebleven. Dat zijn als eerste natuurlijk de eerste discipelen, maar ook de vijfhonderd op de berg van de hemelvaart van Jezus, de duizenden op de eerste pinksterdag enz. Let er op, dat tot aan de helft van het boek handelingen er alleen nog maar joden tot bekering komen. Pas met de Romeinse hoofdman, komt de eerste heiden binnen de gemeente. Al die tijd bestaat de aanwas van de gemeente slechts uit gelovigen uit de besnijdenis. Dus: hoezo, heeft Israël het nieuwe verbond niet aangenomen? Handelingen vertelt dus in eerste instantie de geschiedenis van de “uitverkorenen uit de besnijdenis”:
- Romeinen 11:7 7 Wat volgt daaruit? Wat Israël blijft zoeken, heeft het niet verkregen. Maar de uitverkorenen onder hen hebben het wèl verkregen; de overigen echter werden verhard.
Die verharding blijft van kracht, totdat “iemand zich tot de Heer wendt”
- Romeinen 11:8–10 zoals ook geschreven staat: ‘God heeft hun geest verdoofd, hun ogen blind gemaakt en hun oren doof, tot op de dag van vandaag.’ En David zegt: ‘Laat hun tafel een valstrik worden, een strik, een valkuil en een straf. Laat het licht uit hun ogen verdwijnen, krom hun rug voorgoed.’
Wat Paulus hier zegt, lijkt weer te eindigen zoals het slot van hoofdstuk 10. Paulus stelt dus opnieuw de vraag. Echter, dit keer met een ander insteek:
- Romeinen 11:15 Ik vraag dan: zij zijn toch niet zo gestruikeld, dat zij wel vallen moesten? Volstrekt niet! Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen, om hen tot naijver op te wekken. Betekent nu hun val rijkdom voor de wereld en hun tekort rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid! Ik spreek tot u, heidenen. Juist omdat ik apostel der heidenen ben, acht ik dit de heerlijkheid van mijn bediening, dat ik zo mogelijk de naijver van mijn vlees en bloed mocht opwekken, en enigen uit hen behouden. Want, indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden?
Paulus geeft hier aan, dat juist vanwege het feit, dat een gedeelte van Israël tot bekering is gekomen, het heil naar de heidenen is gekomen. Er wordt hier niet gezegd, dat de val van Israël juist de reden was. Paulus benadrukt dit ook door te stellen, dat hij het de heerlijkheid van zijn bediening zou achten, als hij, in zijn hoedanigheid als apostel voor de heidenen, toch nog enkele broeders zou kunnen redden. Er is bij Paulus geen twijfel, dat de anderen, indien zij zich niet bekeren, toch verloren gaan. De laatste zin is enigszins cryptisch. Maar Paulus spreekt hier niet over een collectieve aanneming van Israël, maar over het resultaat van de bekering van de enkeling. “Hun aanneming” slaat op het aannemen van het evangelie, zodat er op dat moment sprake is van “leven uit de doden”.
- Romeinen 11:16–18 Zijn de eerstelingen heilig, dan ook het deeg, en is de wortel heilig, dan ook de takken. Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn en gij als wilde loot daartussen geent zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen, beroem u dan niet tegen de takken! Indien gij u ertegen beroemt; niet gij draagt de wortel, maar de wortel u.
Paulus zet uiteen, dat zowel de jood als de heiden zich niet kunnen beroemen. De wortel waar Paulus over spreekt, betreft de kern van het nieuwe verbond. In feite gaat het hier om Jezus, die de wortel van David wordt genoemd. De wortel betreft het plan dat God al van voor de grondlegging van de wereld klaar heeft. Die wortel bestond op bepaalde tijden uit niet meer dan een stronk. Dat was onder andere het geval ten tijde van Elia, die uitriep dat hij als enige was overgebleven.
- Romeinen 11:19–23 Gij zult dan zeggen: er zijn takken weggebroken, opdat ik als loot geent zou worden. Goed! Zij zijn om hun ongeloof weggebroken en gij staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees! Want indien God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen. Let dan op de goedertierenheid Gods en zijn gestrengheid: over de gevallenen gestrengheid, maar over u goedertierenheid Gods, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden. Maar ook zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder geent worden; God is immers bij machte hen opnieuw te enten.
Hier wijdt Paulus nog wat verder uit. Hij kent zijn pappenheimers. Hij geeft echter voortdurend aan, dat het alles genade is. De wortel is de basis. Zowel jood als heiden zullen daarop worden geënt, wanneer ze tot geloof komen. En voor beiden geldt, dat de degene die niet bij het geloof blijven weer worden weggebroken. In feite geeft Paulus een beeld van het geestelijke Israël, dat onder het oude verbond soms een zieltogend en onvruchtbaar bestaan leidde, maar nu onder het nieuwe verbond springlevend en zeer vruchtbaar is geworden.
- Romeinen 11:25–28 Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding is over Israel gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israel behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem. Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil.
Ik geef toe dat het allemaal niet zo makkelijk is. Waar je hier tegenaan loopt is de visie van de vertaler. Het is mogelijk om bepaalde woorden uit het Grieks in verschillende Nederlandse worden te vertalen, afhankelijk van de opbouw van de zin. Zo staat er in het Grieks voor “en aldus” een woord dat betekent: “op deze manier”.
Paulus geeft dus aan, dat het “binnengaan van de volheid (niet in aantal, maar in kwaliteit), de manier is waarop gans (in de betekenis van omvang) Israël behouden wordt. Israël bestaat dus in dit verband uit die wortel, waar verschillende takken (het blijft een beeld) op zijn geënt. De verlosser die uit Sion komt, is Jezus. Er komt uit Sion geen andere verlosser dan Hij. Sion staat voor die rest of het overblijfsel. De jonkvrouwe uit het oude testament, die geen kinderen heeft gehad, maar ze nu in overvloed heeft. Zowel gelovigen uit de heidenen, als gelovigen uit de besnijdenis. Twijgen, die tegen hun natuur op de stam zijn geënt en twijgen die overeenkomstig hun natuur (opnieuw) op de stam zijn geënt.
Het is omwille van de belofte, die God aan de Vaderen heeft gedaan, dat iedereen betrokken is bij het heilsplan: ook Israël zelf. Daarvan zegt Paulus dat ze onberouwlijk zijn:
- Romeinen 11:29–32 Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk. Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart, maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid, zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden. Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen.
Vooral de laatste zin vat het mooi samen. Er staat ook niet “hun allen” maar “allen”: heiden en jood. Op dezelfde manier waarop de heiden genade vindt, geldt dit ook voor de jood. Niet de jood kan zich beroemen, maar ook de heiden kan zich niet beroemen.
“We moeten ons daarop niet beroemen (dus geen vervangingstheologie), maar we mogen daar wel eeuwig dankbaar voor zijn.”
Hier ben ik het van harte mee eens, zij het dan dat we in dit gedeelte niet spreken van een vervangingstheologie. Concreet is het niet ” in plaats van” maar “erbij”. En dat is toch iets anders.
Ik heb het gedeelte behandeld volgens een vers-voor-vers exegese. Nu is het probleem met deze manier van uitleg, dat je makkelijk teksten uit de context haalt. Een gedachte die uit een bepaald vers spreekt, kan zo weer onderuit worden gehaald door een ander vers. Het is dus van belang om de tekst dus altijd in het overzicht te houden. Dat geldt zowel voor het exegetiseren van teksten uit het oude — als ook voor teksten uit het nieuwe testament. Op die manier voorkom je ook, dat de vertaler zich teveel met de exegese bemoeit. Je ziet dat ook met het toekennen van hoofdletters aan bepaalde woorden (geest, here, enz.)
In elk geval stelt Paulus de relatie Israël — Gemeente in bijna al zijn brieven aan de orde. Op zich is dat ook niet vreemd, want het was, vooral in de eerste jaren van de gemeente, een hot item. En als je de brieven van Paulus, maar ook die van Petrus! in z’n geheel leest (wat natuurlijk in feite ook de bedoeling is), dan ontkom je er niet meer aan: Israël en de gemeente, zijn in het nieuwe verbond synoniemen. Daarbij zij opgemerkt, dat zowel de jood als ook de heiden op dezelfde manier toegang hebben tot dat Israël, namelijk via het volbrachte werk van Jezus Christus aan het kruis van Golgotha. Alleen, oorzakelijk is het eerst de jood en dan de heiden. Want de weg van het heil is begonnen in Israël, bij de gelovigen uit de besnijdenis en is vervolgens uitgewaaierd naar de heidenen. Vandaar: het heil zal uit Sion komen.

