De edele olijf

Een oli­jf­boom, gefo­tografeerd in Griekenland

Zoals velen met mij, werp ik zo nu en dan een blik op het Chris­telijk Infor­matie Plat­form. Dit is een soort chris­telijke nieuws­site, waar men ook kan rea­geren op artike­len. Rea­geren doe ik niet zo snel, want ik heb het al druk genoeg met mijn eigen handel.

Om die reden heb ik mij geabon­neerd op hun nieuws­brief (aan­bev­olen). Je kri­jgt dan het laat­ste chris­telijke verza­mel­nieuws per e-mail toeges­tu­urd, zodat je niet benauwd hoeft te zijn iets te mis­sen. Een soort chris­telijke Privé, zeg maar.

Geïn­spireerd door de nieuws­brief, neem ik toch regel­matig een kijkje op het CIP om een artikel in z’n geheel te lezen. En soms lees ik dan, in de vaak vele reac­ties onder het artikel, een state­ment of een mening, die m’n aan­dacht triggert.

Zo ook onder het eerste artikel van Dick Baarsen“Chris­te­nen zijn vee­lal onbek­end met het Nieuwe Ver­bond”. Ik las daar het volgende:

“Beste Harm, Je ziet Romeinen 11 over het hoofd. Het nieuwe ver­bond was inder­daad in de eerste plaats bedoeld voor de joden. En als zij een­maal tot inzicht komen, dan is het nieuwe ver­bond nog steeds voor hen bedoeld. Romeinen 11 zegt dat door hun (de joden) onge­hoorza­amheid, wij (de hei­de­nen) op de edele boom zijn geënt. We moeten ons daarop niet beroe­men (dus geen ver­vang­ings­the­olo­gie), maar we mogen daar wel eeuwig dankbaar voor zijn.”

En dat zette mij weer aan het denken.

Een opmerk­ing vooraf

In de loop van de jaren, bestudeer ik met zeer veel inter­esse de bij­bel. En als ik over jaren spreek, dan bedoel ik vanaf 1966. Niet dat toen de bij­bel bij mij die plaats innam, die hij nu wel doet. Maar sinds 1976 veran­derde er iets wezen­lijks. Toen kwam God met kracht bij mij op bezoek en liet een nieuwe bij­bel achter. Niet dat het een ander boek werd, maar mijn blik werd vernieuwd. Ook begon ik toen de bij­bel in de con­text te lezen. Van begin tot eind. En het was net alsof er iets geheel anders stond. Ineens vie­len aller­lei puzzel­stuk­jes op hun plaats en begon ik ver­ban­den te zien.

Dat pro­ces is natu­urlijk nog steeds bezig, want wie kan bew­eren, dat hij alles al weet. Ik zeker niet! Maar waar ik ook achter kwam, was dat vele chris­te­nen de plat­ge­tre­den paad­jes van hun voor­gangers (voor­vaderen) gaan. Men bouwt als het ware voort op wat anderen ont­dekt hebben, zon­der daar­bij ooit de vraag te stellen of het wel de waarheid is. Daar­naast ont­dekte ik, dat iedere chris­ten voor zichzelf ver­ant­wo­ordelijk is en niet voor wat een ander doet of gelooft.

Zo is dat met heel veel zoge­naamde waarhe­den, die in de loop van de eeuwen zodanig vaste grond hebben gekre­gen, dat nie­mand ze nog ter dis­cussie stelt. Men praat er niet meer over, maar men verdeelt elkaar direct in kam­pen, van waaruit men de anders denk­ende vaak met veel geschreeuw, maar met weinig wol, tra­cht te overbluffen. Voor­beelden zijn de kinder­doop, de doop in de Heilige Geest, de onfeil­baarheid van de bij­bel en ook: de posi­tie van het volk Israël ten opzichte van de gemeente. En vooral bij het laat­ste laait de strijd regel­matig op. Waar­bij vaak de par­ti­jen niet gehin­derd wor­den, door enig ver­lan­gen om er achter te komen waarom die ander er nu anders over denkt. De reden hier­voor is, wat ik eerder noemde: men neemt de menin­gen van anderen over zon­der dat men de con­se­quen­ties vol­doende heeft door­dacht. De visie van iemand met gezag, wordt dan zo hoog aanges­la­gen, zodat men niet meer beseft, dat ook iemand met een titel (of ver­meend) gezag zich kan vergissen.

Wie het weet mag het zeggen

Het punt is, dat we vaak, zon­der het te besef­fen, iets voor waar aan­nemen, zon­der de inhoud te beproeven. Het veroorza­akt kre­tolo­gie. State­ments die als “waar” klinken, omdat iedereen het roept. Het gevolg is ook, dat een tekst in de bij­bel vaak niet meer opnieuw wordt gelezen en herkauwd (over­peinzen, zoals Jozua het uit­drukt) en dat direct de inter­pre­tatie op tafel komt. Dit vervuilt echter de dis­cussie mateloos, omdat er dan een hak-op-de-tak gesprek op gang komt, dat onver­mi­jdelijk eindigt in een gevoel van irri­tatie bij alle betrokke­nen. Het punt is dat we dan ook niet meer in staat zijn om de vinger op de zere plek te leggen, zodat we het gesprek weer enigszins vlot kun­nen trekken.

De manier waarop ik op Kon­ing Jezus.Info met de materie omga, is er door beïn­vloed. Ik schrijf al sinds 1990 mijn artike­len. Ook heb ik al ein­de­loze dis­cussie meege­maakt op diverse usenet-achtige forms. Wat ik in de loop van de tijd heb geleerd, is dat men de tekst uit de bij­bel, die wordt geciteerd, niet of in elk geval nauwelijks leest. Men is al zo “ervaren”, dat men al begri­jpt wat de tekst zegt, voor­dat men deze (echt) leest. Op Kon­ing Jezus.Info gebruik ik om deze reden weinig tek­sten uit de bij­bel. Wat ik wel doe, is opruien. Ik laat de lezer als het ware denken: “hé, wacht eens even, wat zegt ‘ie nou?” Ik heb liever, dat men de bij­bel er bij pakt, om de tekst even op te zoeken. Lez­ers, zijn namelijk vluchtig, dus heb ik meer aan een zaadje dat miss­chien na vele dagen een beetje begint te ontkiemen. Wat ook wel gebeurt is, dat men er onwillekeurig en onder de opper­vlakte over na bli­jft denken.

Nu dan mijn reactie

Zo het kader is gezet. Ik ga er dan ook vanuit, dat degene die het antwo­ord gaf op het CIP zich niet aangevallen voelt. Als dat wel het geval is, dan daar­voor bij voor­baat mijn excuses. Het is niet mijn bedoel­ing om mijn visie en mening als de enige ware te pre­sen­teren. Maar als iets in de open­baarheid wordt gezegd, dan moet degene die poneert, ook reken­ing houden met kri­tiek. Overi­gens geldt dat voor mij ook. Laat dat een troost zijn.

Je ziet Romeinen 11 over het hoofd. Het nieuwe ver­bond was inder­daad in de eerste plaats bedoeld voor de joden”.

Ik weet niet waar dit staat. Let op: ik weet wel, dat het nieuwe ver­bond als eerste is AANGEBODEN aan de joden. Dat kun­nen we lezen in de evan­geliën. Maar bedoeld is het nieuwe ver­bond voor jood EN hei­den. Dit is een uit­drukking die aangeeft, dat het voor ieder mens is. Nie­mand uit­ge­zon­derd. Bij­bels (oud tes­ta­men­tisch) gezien spreek je over twee cat­e­gorieën mensen: het volk Israël en de hei­de­nen. In deze beteke­nis gaat het dan over een volk dat onder de bescherming valt (via een ver­bond) van God en een volk (dat geen volk is) waar God zich niet over ont­fermt. Dat plan, dat bedoeld is voor iedereen, bestaat al vanaf het begin van de schep­ping. Het is zelfs de reden voor het schep­pen van de mens.

In feite kun je zelfs zeggen, dat het ver­bond (het oude, vanuit ons stand­punt gezien) met Israël er, van­wege hun onge­hoorza­amheid, tussendoor kwam. Dat is namelijk het ver­bond van de wet. De schri­jver van de Hebreeën­brief gaat hier verder op in.

Dat Jezus het nieuwe ver­bond aan de joden kwam aan­bieden, had dan ook alleen maar tot doel om via de “nieuwe” gelovi­gen uit de joden, de rest van de wereld te bereiken. Je kunt echter zeggen, dat Jezus in die opzet uit­stek­end is ges­laagd. De afwi­jz­ing van velen uit het volk, heeft in geen enkel opzicht een kink in de kabel veroorza­akt. Dege­nen die “niet wilden” hielden vast aan het oude ver­bond, dat van de wet. Maar omdat het oude ver­bond op het punt stond te verd­wi­j­nen, liep het ook voor degene die er aan wilden vasthouden op een eind. Het gevolg was dus uitein­delijk, dat het oude ver­bond gelijk werd gesteld aan elke andere religie, die door mensen in stand wordt gehouden.

“En als zij een­maal tot inzicht komen, dan is het nieuwe ver­bond nog steeds voor hen bedoel”.

Dat is ook een wijd­ver­breid mis­ver­stand; dat op een bepaald moment de joden col­lec­tief “tot inzicht zullen komen”. De enige tek­sten die iets in die zin kun­nen sug­ger­eren, vin­den we in het oude tes­ta­ment. Op dit moment, zal ik hier niet al te diep op ingaan. Als een lezer hier op verder wil gaan, dan zie ik daar­toe wel de vraag. Onder elk artikel is de mogelijkheid om te rea­geren. Dus voel je vrij.

Wat ik er nu over kwijt wil, is dat de jood in het nieuwe ver­bond gelijkgesteld is met de hei­den. Paulus zegt:

  • 2 Corinthiërs 3:14–16 Hun denken ver­starde, en dezelfde sluier ligt tot op de dag van van­daag over het oude ver­bond wan­neer het voorgelezen wordt. Hij wordt alleen in Chris­tus weggenomen. Tot op de dag van van­daag ligt er een sluier over hun hart, telkens als de wet van Mozes wordt voorgelezen. Maar telkens als iemand zich tot de Heer wendt, wordt de sluier weggenomen.

Er is geen reden om aan te nemen, dat dit tot de “Heer wen­den” col­lec­tief plaatsvindt. Paulus spreekt hier over de enkel­ing, de indi­vidu­ele jood. Blijk­baar spreekt God nog altijd tot het hart van de toe­ho­order van het oude ver­bond (de wet van Mozes). Dat is genade. Maar ook hier geldt, net als voor de hei­den, dat de luis­ter­aar zich tot de Heer moet wen­den. Je zou hier kun­nen lezen: bekeert, want wen­den betekent in deze omk­eren of bekeren.

De tek­sten in het oude tes­ta­ment die een col­lec­tieve inkeer sug­ger­eren, spreken echter niet over de peri­ode na Chris­tus, maar over de peri­ode tij­dens Chris­tus. Die peri­ode eindigt op de eerste pinks­ter­dag, wan­neer de Geest wordt uit­gestort en daad­w­erke­lijk ver­steende harten veran­deren in harten van vlees:

  • Ezechiël 11:19 Dan zal ik hen eens­gezind maken en hun een nieuwe geest geven; ik zal hun ver­steende hart uit hun lichaam halen en hun er een lev­end hart voor in de plaats geven.

De opmerk­ing ver­volgt dan:

“Romeinen 11 zegt dat door hun (de joden) onge­hoorza­amheid, wij (de hei­de­nen) op de edele boom zijn geënt”.

Dit kan ik eve­neens niet in Romeinen 11 terugvin­den. Dit dwingt mij tot een stukje exegese:

  • Romeinen 11:1 Ik vraag dus: Heeft God dan zijn volk soms ver­stoten? Verre van­daar! Want ook ikzelf ben een Israëliet, uit het ges­lacht van Abra­ham, uit de stam van Benjamin.

Paulus stelt een vraag en geeft zelf direct het antwo­ord. Het is echter niet het antwo­ord, dat men er meestal in leest.

Eerst stelt Paulus de vraag: Telt Israël dan niet meer mee? De achter­grond van de vraag is deze: Paulus heeft in eerdere hoofd­stukken uiteen gezet, dat Israël en de wet er niet meer toe doen. De hei­den en de jood zijn, als het gaat om de aan­ne­m­ing tot zonen in Chris­tus gelijk­waardig. De lezer van de Romeinen­brief zou dus nu de con­clusie kun­nen trekken, dat er voor Israël geen hoop meer is en dat elke jood is verworpen.

En nu zegt Paulus: nee, zo ligt het niet. Kijk maar naar mij: ik ben zelf een jood. En ik ben wel degelijk tot geloof gekomen, DUS God heeft zijn volk niet ver­wor­pen. Ik, als aangenomen gelovige uit de besni­j­de­nis, ben er het lev­ende bewijs van. Paulus ver­volgt dan:

  • Romeinen 11:2–6 Neen, God heeft zijn volk niet ver­stoten, dat Hij uitverko­ren had. Of weet gij niet, wat de schrift door Elias zegt, toen deze zich bij God over Israël beklaagde: Heer, uw pro­feten hebben ze gedood, uw altaren omver gewor­pen; ik alleen ben overge­bleven, en ze staan me naar het leven. Welnu, wat antwo­ordt hem de godsspraak: “Zeven duizend man­nen heb Ik Mij voor­be­houden, die de knie niet voor Baäl hebben gebo­gen. Zo is er dan ook in deze tijd een over­schot gebleven door de uitverkiez­ing der genade. Maar is het door de genade, dan is het niet om de werken; anders zou de genade geen genade meer zijn.

Hier wordt ker­nachtig uiteengezet, dat dit principe (dat van het overbli­jf­sel, of rest) al in het oude tes­ta­ment (onder het oude ver­bond) bek­end was. Net zoals er toen­ter­tijd ook een overbli­jf­sel uit het volk overbleef, dat de Here trouw bleef, zo is er ook (op het moment dat Paulus dit schri­jft) een rest of overbli­jf­sel, dat de Here trouw is gebleven. Dat zijn als eerste natu­urlijk de eerste discipe­len, maar ook de vijfhon­derd op de berg van de hemel­vaart van Jezus, de duizen­den op de eerste pinks­ter­dag enz. Let er op, dat tot aan de helft van het boek han­delin­gen er alleen nog maar joden tot bek­er­ing komen. Pas met de Romeinse hoofd­man, komt de eerste hei­den bin­nen de gemeente. Al die tijd bestaat de aan­was van de gemeente slechts uit gelovi­gen uit de besni­j­de­nis. Dus: hoezo, heeft Israël het nieuwe ver­bond niet aangenomen? Han­delin­gen vertelt dus in eerste instantie de geschiede­nis van de “uitverko­re­nen uit de besnijdenis”:

  • Romeinen 11:7 7 Wat volgt daaruit? Wat Israël bli­jft zoeken, heeft het niet verkre­gen. Maar de uitverko­re­nen onder hen hebben het wèl verkre­gen; de overi­gen echter wer­den verhard.

Die ver­hard­ing bli­jft van kracht, tot­dat “iemand zich tot de Heer wendt”

  • Romeinen 11:8–10 zoals ook geschreven staat: ‘God heeft hun geest ver­doofd, hun ogen blind gemaakt en hun oren doof, tot op de dag van van­daag.’ En David zegt: ‘Laat hun tafel een val­strik wor­den, een strik, een valkuil en een straf. Laat het licht uit hun ogen verd­wi­j­nen, krom hun rug voorgoed.’

Wat Paulus hier zegt, lijkt weer te eindi­gen zoals het slot van hoofd­stuk 10. Paulus stelt dus opnieuw de vraag. Echter, dit keer met een ander insteek:

  • Romeinen 11:15 Ik vraag dan: zij zijn toch niet zo gestru­ikeld, dat zij wel vallen moesten? Vol­strekt niet! Door hun val is het heil tot de hei­de­nen gekomen, om hen tot nai­jver op te wekken. Betekent nu hun val rijk­dom voor de wereld en hun tekort rijk­dom voor de hei­de­nen, hoeveel te meer hun vol­heid! Ik spreek tot u, hei­de­nen. Juist omdat ik apos­tel der hei­de­nen ben, acht ik dit de heer­lijkheid van mijn bedi­en­ing, dat ik zo mogelijk de nai­jver van mijn vlees en bloed mocht opwekken, en eni­gen uit hen behouden. Want, indien hun ver­w­er­p­ing de ver­zoen­ing der wereld is, wat zal hun aan­ne­m­ing anders wezen dan leven uit de doden?

Paulus geeft hier aan, dat juist van­wege het feit, dat een gedeelte van Israël tot bek­er­ing is gekomen, het heil naar de hei­de­nen is gekomen. Er wordt hier niet gezegd, dat de val van Israël juist de reden was. Paulus benadrukt dit ook door te stellen, dat hij het de heer­lijkheid van zijn bedi­en­ing zou achten, als hij, in zijn hoedanigheid als apos­tel voor de hei­de­nen, toch nog enkele broed­ers zou kun­nen red­den. Er is bij Paulus geen twi­jfel, dat de anderen, indien zij zich niet bek­eren, toch ver­loren gaan. De laat­ste zin is enigszins cryp­tisch. Maar Paulus spreekt hier niet over een col­lec­tieve aan­ne­m­ing van Israël, maar over het resul­taat van de bek­er­ing van de enkel­ing. “Hun aan­ne­m­ing” slaat op het aan­nemen van het evan­gelie, zodat er op dat moment sprake is van “leven uit de doden”.

  • Romeinen 11:16–18 Zijn de eerstelin­gen heilig, dan ook het deeg, en is de wor­tel heilig, dan ook de takken. Indien nu enkele van de takken wegge­bro­ken zijn en gij als wilde loot daar­tussen geent zijt en aan de saprijke wor­tel van de olijf deel hebt gekre­gen, beroem u dan niet tegen de takken! Indien gij u erte­gen beroemt; niet gij draagt de wor­tel, maar de wor­tel u.

Paulus zet uiteen, dat zowel de jood als de hei­den zich niet kun­nen beroe­men. De wor­tel waar Paulus over spreekt, betreft de kern van het nieuwe ver­bond. In feite gaat het hier om Jezus, die de wor­tel van David wordt genoemd. De wor­tel betreft het plan dat God al van voor de grond­leg­ging van de wereld klaar heeft. Die wor­tel bestond op bepaalde tij­den uit niet meer dan een stronk. Dat was onder andere het geval ten tijde van Elia, die uitriep dat hij als enige was overgebleven.

  • Romeinen 11:19–23 Gij zult dan zeggen: er zijn takken wegge­bro­ken, opdat ik als loot geent zou wor­den. Goed! Zij zijn om hun ongeloof wegge­bro­ken en gij staat door het geloof. Wees niet hoog­moedig, maar vrees! Want indien God de natu­urlijke takken niet ges­paard heeft, Hij zal ook u niet sparen. Let dan op de goed­ertieren­heid Gods en zijn gestrengheid: over de geval­lenen gestrengheid, maar over u goed­ertieren­heid Gods, indien gij bij de goed­ertieren­heid bli­jft; anders zult ook gij weggekapt wor­den. Maar ook zij zullen, wan­neer zij niet bij hun ongeloof bli­jven, weder geent wor­den; God is immers bij machte hen opnieuw te enten.

Hier wijdt Paulus nog wat verder uit. Hij kent zijn pap­pen­heimers. Hij geeft echter voort­durend aan, dat het alles genade is. De wor­tel is de basis. Zowel jood als hei­den zullen daarop wor­den geënt, wan­neer ze tot geloof komen. En voor bei­den geldt, dat de degene die niet bij het geloof bli­jven weer wor­den wegge­bro­ken. In feite geeft Paulus een beeld van het geestelijke Israël, dat onder het oude ver­bond soms een ziel­to­gend en onvrucht­baar bestaan lei­dde, maar nu onder het nieuwe ver­bond springlevend en zeer vrucht­baar is geworden.

  • Romeinen 11:25–28 Want, broed­ers, opdat gij niet eigen­wijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheime­nis; een gedeel­telijke ver­hard­ing is over Israel gekomen, tot­dat de vol­heid der hei­de­nen bin­nen­gaat, en aldus zal gans Israel behouden wor­den, gelijk geschreven staat: De Ver­losser zal uit Sion komen, Hij zal god­de­looshe­den van Jakob afwen­den. En dit is mijn ver­bond met hen, wan­neer Ik hun zon­den weg­neem. Zij zijn naar het evan­gelie vijan­den om uwen­twil, naar de verkiez­ing zijn zij gelief­den om der vaderen wil.

Ik geef toe dat het alle­maal niet zo makke­lijk is. Waar je hier tege­naan loopt is de visie van de ver­taler. Het is mogelijk om bepaalde woor­den uit het Grieks in ver­schil­lende Ned­er­landse wor­den te ver­talen, afhanke­lijk van de opbouw van de zin. Zo staat er in het Grieks voor “en aldus” een woord dat betekent: “op deze manier”.

Paulus geeft dus aan, dat het “bin­nen­gaan van de vol­heid (niet in aan­tal, maar in kwaliteit), de manier is waarop gans (in de beteke­nis van omvang) Israël behouden wordt. Israël bestaat dus in dit ver­band uit die wor­tel, waar ver­schil­lende takken (het bli­jft een beeld) op zijn geënt. De ver­losser die uit Sion komt, is Jezus. Er komt uit Sion geen andere ver­losser dan Hij. Sion staat voor die rest of het overbli­jf­sel. De jonkvrouwe uit het oude tes­ta­ment, die geen kinderen heeft gehad, maar ze nu in overvloed heeft. Zowel gelovi­gen uit de hei­de­nen, als gelovi­gen uit de besni­j­de­nis. Twi­j­gen, die tegen hun natuur op de stam zijn geënt en twi­j­gen die overeenkom­stig hun natuur (opnieuw) op de stam zijn geënt.

Het is omwille van de belofte, die God aan de Vaderen heeft gedaan, dat iedereen betrokken is bij het heil­s­plan: ook Israël zelf. Daar­van zegt Paulus dat ze onber­ouwlijk zijn:

  • Romeinen 11:29–32 Want de genade­gaven en de roeping Gods zijn onber­ouwelijk. Want eve­nals gij eerti­jds aan God onge­hoorzaam waart, maar nu ont­ferming hebt gevon­den door hun onge­hoorza­amheid, zo zijn ook dezen nu onge­hoorzaam gewor­den, opdat door de u betoonde ont­ferming ook zij thans ont­ferming zouden vin­den. Want God heeft hen allen onder onge­hoorza­amheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen.

Vooral de laat­ste zin vat het mooi samen. Er staat ook niet “hun allen” maar “allen”: hei­den en jood. Op dezelfde manier waarop de hei­den genade vindt, geldt dit ook voor de jood. Niet de jood kan zich beroe­men, maar ook de hei­den kan zich niet beroemen.

“We moeten ons daarop niet beroe­men (dus geen ver­vang­ings­the­olo­gie), maar we mogen daar wel eeuwig dankbaar voor zijn.”

Hier ben ik het van harte mee eens, zij het dan dat we in dit gedeelte niet spreken van een ver­vang­ings­the­olo­gie. Con­creet is het niet ” in plaats van” maar “erbij”. En dat is toch iets anders.

Ik heb het gedeelte behan­deld vol­gens een vers-voor-vers exegese. Nu is het prob­leem met deze manier van uit­leg, dat je makke­lijk tek­sten uit de con­text haalt. Een gedachte die uit een bepaald vers spreekt, kan zo weer onderuit wor­den gehaald door een ander vers. Het is dus van belang om de tekst dus altijd in het overzicht te houden. Dat geldt zowel voor het exege­tis­eren van tek­sten uit het oude — als ook voor tek­sten uit het nieuwe tes­ta­ment. Op die manier voorkom je ook, dat de ver­taler zich teveel met de exegese bemoeit. Je ziet dat ook met het toeken­nen van hoofdlet­ters aan bepaalde woor­den (geest, here, enz.)

In elk geval stelt Paulus de relatie Israël — Gemeente in bijna al zijn brieven aan de orde. Op zich is dat ook niet vreemd, want het was, vooral in de eerste jaren van de gemeente, een hot item. En als je de brieven van Paulus, maar ook die van Petrus! in z’n geheel leest (wat natu­urlijk in feite ook de bedoel­ing is), dan ontkom je er niet meer aan: Israël en de gemeente, zijn in het nieuwe ver­bond syn­on­iemen. Daar­bij zij opge­merkt, dat zowel de jood als ook de hei­den op dezelfde manier toe­gang hebben tot dat Israël, namelijk via het vol­brachte werk van Jezus Chris­tus aan het kruis van Gol­go­tha. Alleen, oorza­ke­lijk is het eerst de jood en dan de hei­den. Want de weg van het heil is begonnen in Israël, bij de gelovi­gen uit de besni­j­de­nis en is ver­vol­gens uit­ge­waaierd naar de hei­de­nen. Van­daar: het heil zal uit Sion komen.

Print Friendly

You must log in to post a comment.