Een liefhebbende God

en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uit­gestort is door de Heilige Geest, die ons gegeven is”

Romeinen 5:5

Voor een een­zaam leven in een grot is de mens niet geschapen.

De mens is een gezelschap­swezen. Dat betekent, dat hij het nodig heeft om temid­den van soortgenoten te zijn. Een kluizenaar is in feite een vreemde eend in de bijt.

Het alleen zijn is voor de mens tegen­natu­urlijk. Dat er des­on­danks toch mensen zijn die voor lan­gere tijd of miss­chien zelf wel lev­enslang de een­za­amheid opzoeken, is dan ook het gevolg van de zondeval.

De vervreemd­ing van God heeft er voor gezorgd, dat de natu­urlijke omgang van de mensen met elkaar niet meer is wat het hoort te zijn. Je zou kun­nen zeggen, dat het cement tussen de ste­nen er niet meer is.

De muur is wankel en niet meer sta­biel. Een insta­biele muur kan elk moment Instorten. Dat instorten, zie je plaatsvin­den. Steeds meer en steeds duidelijker. De bij­bel zegt hierover, dat de liefde tussen de mensen onder­ling toen­e­mend verkilt.

Maar zoals gezegd; het hoort oor­spronke­lijk niet zo te zijn. De mensen zijn zo ont­wor­pen door de schep­per, dat ze kun­nen liefhebben. Maar ook, dat ze liefde kun­nen ont­van­gen. Over en weer. Tweericht­ingsver­keer. Helaas is het echter zo, dat het autoloze zondag is, als het om de liefde gaat: al het ver­keer is tot stil­stand gekomen. En alhoewel de men­sheid langza­mer­hand gewend raakt aan het gebrek aan liefde, ervaren velen het gebrek als een groot gemis. Ze kwi­j­nen weg. De een­za­amheid slaat toe. En als gevolg daar­van, zijn er mensen die er con­creet voor kiezen om dan maar de iso­latie op te zoeken. Een toen­e­mend aan­tal mensen zoekt echter de iso­latie in zichzelf en vertrouwt zich der­halve niet meer toe aan de ander. Van­daar dat de maatschap­pij steeds meer uit indi­viduen gaat bestaan.

Dat de mens zo kwi­jnt onder het gebrek, ligt aan het feit dat God de mens met een zin­tuig voor liefde heeft geschapen. Het is al gezegd. De Schep­per is zelf liefde. In Zijn geval betekent het, dat Hij zijn schep­sel nooit in de steek zal laten. Hij kan en wil dat doo­d­een­voudig niet. Daarom is een geloof, waar­bij de god­heid zich oneindig ver van de mens bevindt en geen bemoeie­nis heeft met zijn schep­ping, geen bij­bels geloof. Via de Schrift weten we, dat God op alle mogelijke manieren, ik spreek vanuit menselijk denken, aan de mens laat weten, dat Hij er is en dat Hij om de mens geeft. En, zegt de bij­bel, in het laatst der dagen heeft Hij door de Zoon tot ons gespro­ken. En het Woord, dat Hij heeft gespro­ken en nog spreekt, is: ik houd van je. Via Jezus Chris­tus heeft Hij ons laten weten, dat Hij ons niet ver­geten is en ons ook nooit ver­geten zal.

Maar het gaat nog verder dan dat. Het is niet alleen een soort med­edel­ing van dienst, die vanuit de hemel tot ons is gekomen. Zoals een inter­city van de Ned­er­landse Spoor­we­gen, die er wel aankomt, maar nog wel een uurtje op zich laat wachten. God heeft besloten om ons con­creet en met onmid­del­lijke ingang te laten delen in zijn liefde. Niet als een weten­schap, een the­o­rie, maar in een gevoe­len. En dat niet als een opper­vlakkig laagje, maar door en door. Net als de stok­jes saté, die je een nacht in de mari­nade zet. Juist hen, die er bijna van over­tu­igd zijn, dat God hen ver­geten is, geeft Hij overvloedig van zijn liefde. Juist hen, die zo hart­stochtelijk ver­lan­gen naar een aan­rak­ing van Zijn heil­rijke rechter­hand, komt Hij tegemoet.

Zij, die hun hoop stellen op de lev­ende God, maakt Hij niet beschaamd. En dat bewi­jst Hij door zijn liefde in hun hart uit te storten. En dat niet om hen dan weer meer van andere mensen te laten houden. Dat komt vanzelf wel, later. Nee, op dit moment gaat het er om, dat zij zelf ruim deel kri­j­gen aan de liefde, die God voor hen koestert.

Als de liefde Gods in jouw hart wordt uit­gestort, dan ervaar je de liefde in de eerste plaatst voor jezelf. Als eerste mag jij je wen­te­len in zijn warme liefhebbende armen, die om jouw heen ges­la­gen zijn. Hij wil je knuffe­len en lieve woord­jes in je oor fluis­teren. Zijn liefde is er alleen voor jou. Voor nie­mand anders. Van voor de grond­leg­ging van de schep­ping heeft Hij zijn zin­nen er al op gezet, om jou zijn liefde te geven. Door zijn Geest.

De boze komt om te slachten en te verdel­gen. Maar tot jou zal hij niet komen, want jij hebt iets, dat je in eeuwigheid tegen zijn aan­vallen zal bescher­men: de liefde Gods die in jouw hart is uit­gestort. Het hart van de Vader, dat spe­ci­aal voor jou klopt. Koester er in, wen­tel je er in. Laat Hem tot je spreken. Als vanzelf zul je dan in staat zijn om je rug te rechten. God heeft zijn oog op jou gericht. Nooit zal iets of iemand in staat zijn om de aan­dacht af te lei­den, die God voor jou heeft. Nooit zul je een moment uit zijn gezichtsveld zijn. Je staat in zijn hand­palm gegrift, voor eeuwig. En dat wil Hij je laten merken ook.

Print Friendly

You must log in to post a comment.