want de Zoon des Mensen is gekomen om het ver­lorene te zoeken en te behouden

Lucas 19:10

En zo ziet het strand er in de win­ter heel anders uit…

Wij noe­men de laat­ste peri­ode in de maand decem­ber voor de 25e de donkere dagen voor kerstmis.

De reden is tweeledig. Ten eerste is het in de natuur de donker­ste tijd van het jaar.

De aarde heeft zich ten opzichte van de zon zodanig gedraaid, dat er gedurende enkele maan­den min­der licht en warmte op het noordelijk hal­frond valt: het is winter.

Hoe noordelijker men zich bevindt, hoe langer donker het is.

Op de noord­pool komt zelfs de zon hele­maal niet op.

Over een half jaar is het totaal anders en zit men op de zuid­pool weer lan­gere tijd in het donker.

Ten tweede is het een beeld. Wij (het lijkt wel een steeds kleiner wor­dende groep) vieren met kerst de komst van Jezus Chris­tus. Bijna twee­duizend jaar gele­den scheen er een ster boven het plaat­sje Beth­le­hem. Er staat dan geschreven: een volk dat in donker­heid wan­delt, ziet een groot licht. In geestelijke zin is er een groot licht opge­gaan. En zoals het vaker wordt ervaren: het donker­ste uur is vlak voor­dat de zon opgaat. Men wil daarmee zeggen, dat wan­neer de nood het hoogst is, is de red­ding nabij. De Zoon des mensen is gekomen om het ver­lorene te behouden.

Er is bli­jd­schap in de hemel bij de komst van die kleine in de kribbe. Heel de geestelijke wereld is er van op de hoogte. En de enge­len jube­len het uit. Er is een begin gemaakt met de meest opzien­barende en ver­heugende bood­schap die ooit is verteld of nog verteld zal wor­den. Het is niet voor niets dat die eerste vier geschiedenis­sen in het nieuwe tes­ta­ment evan­gelie wor­den genoemd. Evan­gelie betekent: goed nieuws of bli­jde boodschap.

Als de discipe­len met Jezus rond­wan­de­len in Israel, vra­gen ze zich af hoe­lang het nog duurt, voor­dat Jezus zijn ko­ningschap zal tonen. Zoals zove­len in die dagen, verwacht­ten zij een kon­ing die als eerste korte met­ten zou maken met de romeinse over­heersers. Zij gin­gen er dan ook vanuit, dat er alleen nog op 1 of andere manier een licht op groen moest wor­den gezet: Here, wan­neer her­stelt U Uw koninkrijk?

Het was hun ook niet direct kwal­ijk te nemen. Onder­drukt te wor­den is geen pretje. De romeinen waren wat dat betreft niet mals. Het bij­zon­dere is even­wel dat Jezus nooit enige sugges­tie in die richt­ing doet. Nooit wekt Hij de schijn op dat het Hem te doen is om het her­stellen van de autonomie van Israel.

De uit­spraak die boven aan de med­i­tatie van deze week staat, is een uit­spraak van de Heer nadat Hij gastvrij door Zacheus de tol­lenaar in diens huis is opgenomen. In het evan­gelie van Mattheus doet Hij de uit­spraak nadat Hij de kinderen heeft geze­gend. Daar staat de tekst tussen blokhaken, dus komt hij niet in alle oude hand­schriften terug. Maar de strekking is geheel duidelijk.

Op het moment dat een zon­daar (en wie zal ontken­nen dat Zache­us dat was) zich bekeert, is Jezus bezig met zijn meest be­langrijke taak: het behouden van het ver­lorene. ­­Ik kan me voorstellen, dat de discipe­len van Jezus zich vaak hebben afgevraagd, waar Hij nu toch mee bezig was. In de ogen van de geestelijke “upper­class”, was het omgaan met hoeren en tolle­naars een zeer schadelijke gewoonte. En ik neem aan, dat ook de discipe­len niet geheel vrij waren van voor-oordelen.

Van­daag de dag, (ik houd er van om par­al­lellen te trekken) is het niet veel anders. Het is donker in de wereld om ons heen. En we verwachten dat de duis­ter­nis nog wel zal toen­e­men. Maar samen kijken we uit naar het grote Licht dat straks zal op­gaan. Het licht dat alle naties zal ver­lichten. Maar wat verwachten we dan? Wat stellen we ons daar­bij voor?

Naar de mens gespro­ken is het van­daag de dag niet een­voudig om chris­ten te zijn. Niet alleen lijkt het als of we schaarser wor­den, we wor­den ook niet altijd serieus genomen. Naar­mate de tijd verder ver­strijkt en het bli­jft bij het oude, neemt het geloof verder af.

Velen van ons verwachten dan ook dat Jezus terug komt om te vero­orde­len. Hij zal ons wel eens in het gelijk­stellen. Niet zozeer dat we let­ter­lijk over­heerst wor­den, maar als Jezus terugkomt, dan zal je eens wat beleven. Dan zal je eens zien dat we het als chris­te­nen toch mooi bij het rechte eind heb­ben. Mijn mening is dat het ongelijk wel eens aan onze kant zou kun­nen zijn. Want met een dergelijke harts­gesteld­heid zijn we niet bezig met het­geen waar Jezus mee bezig was: het behou­den van het verlorene.

Het is me opgevallen hoe vaak in de Schrift wordt gespro­ken over vero­ordel­ing alsof het een toe­s­tand betreft. Er wordt geen vero­ordel­ing uit­ge­spro­ken, maar de vero­ordel­ing is een feit, dat je kunt con­stateren. De Schrift zegt, dat Jezus niet is gekomen, om de wereld te vero­orde­len. Tevens wordt opge­merkt dat wie in Hem gelooft, niet wordt vero­ordeeld, maar dat wie niet in Hem gelooft reeds is vero­ordeeld. In de brief aan Titus merkt Paulus op, dat een mens die scheur­ing maakt, het spoor bijster is en dat deze zondigt, ter­wijl hij zichzelf vero­ordeelt. Het punt is, dat een zon­daar reeds geo­ordeeld is. Er wordt niet nog een oordeel over hem uit­ge­spro­ken; het is een feit.

De ver­lore­nen zijn vero­ordeeld: en omdat ze vero­ordeeld zijn zijn ze ver­loren! Maar juist Jezus bekom­mert zich om hen. En Jezus verwacht het­zelfde van zijn discipe­len in deze tijd. “Here, wan­neer her­stelt U Uw kon­ingschap?” De neig­ing is begri­jpelijk om met elkaar bin­nen vier muren te kruipen en te geni­eten van elkaar en van de aan­wezigheid van de Heer. Maar de Heer zal zich op een bepaald moment weer willen kwi­jten van zijn hoofd­taak: het behouden van het verlorene.

Daar­voor moet Hij naar buiten, de straat op. Daar­voor wil Hij onze han­den en voeten gebruiken. Juist in deze tijd van steeds dikker worden­de duis­ter­nis zijn er nog zeer velen die graag willen ingaan op de stem van het evan­gelie.
Het kan zijn, dat de liefde en bewogen­heid voor “hen die buiten zijn” tekort schiet. Het kan zijn dat we geen moti­vatie ervaren om hen met het evan­gelie bek­end te maken. Maar weet dan, dat Jezus Chris­tus meer dan bereid is om te tonen, hoe die bewogen­heid en liefde in onze harten kan wor­den uitge­stort. Hij kan laten zien wat daar­voor nodig is. En wat meer is: Hij is er geheel toe bereid. Want het is geheel in over­eenstemming met zijn wil: het ver­lorene te behouden.

Laat een reactie achter