Wan­neer Hij komt, om op die dag ver­heer­lijkt te wor­den in zijn heili­gen en met ver­baz­ing aan­schouwd te wor­den in allen die tot geloof gekomen zijn; want ons getu­ige­nis heeft geloof gevon­den bij u

2 Thess. 1:10

Herken­baar, maar niet hetzelfde

Wie wel eens een aap heeft geob­serveerd, komt onder de indruk van de nauwkeurigheid, waarmee het dier de mens kan nadoen.

We ken­nen alle­maal het woord na-apen.

Wan­neer je de aap gedurende een lan­gere tijd in de gaten houdt, begint het op je lach­spieren te werken: van­daar dat apen heel pop­u­lair zijn bij kinderen.

Ik weet overi­gens niet of het om die reden in een dier­en­tuin altijd zo druk is bij het verblijf van de mensapen.

Het kan natu­urlijk ook zijn dat de toeschouw­ers een glimp proberen op te van­gen van groot-opa.

Maar hoe natu­ur­getrouw een aap de mens ook imi­teert, hij bli­jft een aap. Als de aap zou gaan bew­eren, dat hij geen aap is, maar een mens zou hij zelfs gaan irriteren. Hij zou zichzelf belache­lijk maken.

Het Chris­ten­dom heeft de men­sheid al bijna twintig eeuwen in zijn greep. Het is ver­baz­ing­wekkend dat een sim­pele tim­mer­man­szoon uit Galilea, zo’n enorme indruk maakte en nog steeds maakt. En dat al zo lang. Vele grote man­nen uit die tijd zijn niet veel meer dan een noti­tie in een geschiedenis­boek: als ze daar al instaan!

Het is een intrigerend gegeven: God en de men­sheid. En in onze tech­nol­o­gis­che maatschap­pij wordt het niet echt min­der. Ondanks de voor­spelling dat het geloof in God dankzij weten­schap­pelijke inzichten wel zou afne­men, is niets min­der waar. Juist van­wege de afs­tandelijkheid van het ‘kale’ ken­nen, neemt het ver­lan­gen naar een per­soon­lijke God toe.

Het lijkt wel alsof de mens het diep in zijn hart niet accepteert: een leven zon­der echte inhoud. Velen zoeken naar een invulling en gri­jpen naar de drugs. Anderen denken het te vin­den in het altijd maar bezig zijn. Maak plaats, maak plaats, wij hebben alle­maal een vre­selijke haast.

Die aap uit het begin van dit stukje, is lei­dend voor­w­erp: het dier weet niet beter. Maar toch is er een par­al­lel aan­wezig. De Chris­ten gedraagt zich soms als die aap. Hij aapt Chris­tus na. Hij leest in de Schrift en andere boeken, wie Jezus was. Hoe Hij zich gedroeg en wat zijn principes waren. En de chris­ten probeert dat na te doen. En Paulus, de groot­ste uit de apos­te­len, lijkt dat principe nog te ste­unen ook.

Paulus schri­jft aan de gemeente van de Cor­in­tiers: “Weest mijn navol­gers, gelijk ik Chris­tus navolg”. In diverse andere brieven wordt dit principe enigszins her­haalt. Maar steeds als Paulus het over navol­ging heeft, doelt hij op het werk dat Chris­tus in hem doet. Waar het bij de aap gaat om inhoud­sloze imi­tatie, gaat het bij Paulus over het werk van Chris­tus zelf in de mens.

Dat is dan ook pre­cies de reden, waarom men niet uit­ge­spro­ken raakt over Jezus Chris­tus. Maar de aap zal nooit een mens wor­den. Hoezeer hij ook zijn best doet. Om dezelfde reden zal ook een mens nooit Chris­tus wor­den, hoezeer hij ook zijn best doet. Het feit dat we dezelfde din­gen doen als Jezus. Het gegeven dat we miss­chien zelfs won­deren en teke­nen doen in zijn naam. En het feit dat we miss­chien de Schrift kun­nen spellen, maakt ons nog niet het­zelfde als Hij.

Er is maar één mogelijkheid om pre­cies het­zelfde te zijn als Hij en dat is wan­neer Hij in ons komt wonen en de mens als het ware oplost in Hem. Om dezelfde reden zou ook die aap alleen maar werke­lijk in waarde groeien als er een mens in hem zou kun­nen kruipen en zijn men­sz­ijn door de aap heen zou tonen.

De gedachte, dat de mens in principe in de aap (als kiem) aan­wezig zou zijn is volksver­lakkerij. De aap en de mens zijn van totaal ver­schil­lende ges­lachten. De Schrift zou miss­chien zeggen: van een andere cat­e­gorie. Iets dergelijks wordt door Paulus uiteengezet, als hij het heeft over het opstand­ingslichaam in de brief aan de Cor­in­tiers. De glans is anders: het lijkt op elkaar, maar het is wezen­lijk ver­schil­lend. Zo is dat met Chris­tus ook. We lijken op Hem, maar Hij is wezen­lijk anders. Daar kan alleen maar veran­der­ing in komen, als wij eve­neens wezen­lijk veranderen.

Dat veran­deren kan niet op eigen kracht. Daar­door zou immers het ‘wezen­lijk anders’ nooit gestalte kri­j­gen! Wezen­lijk anders (dat wil zeggen: van een geheel andere cat­e­gorie), wor­den we pas als God in ons aan het werk gaat. Dan mogen we rusten van al onze eigen inspan­nin­gen en toezien hoe de Chris­tus in ons gestalte kri­jgt. Dan zal ook onze dag komen, waarop we met ver­baz­ing in elkaar zullen zien, hoe het hemelse wezen­lijk tot uit­ing is gekomen.

God heeft ons met alles dat tot leven en Godsvrucht dient, begiftigd. Maar dat betekent ook dat alles, dat nodig is om Chris­tus in ons gestalte te laten kri­j­gen, ons is geschonken: in Chris­tus Jezus. Het enige dat van ons wordt ver­langd, is over­gave. En een houd­ing die uit­ing geeft aan de wens: ‘Heer, doet u het maar in mij. Vult u mij maar geheel met Uw kracht en moti­vatie opdat uw Zoon Jezus Chris­tus in mij gestalte kri­jgt’. Dan is de Chris­ten geen na-aper, maar werke­lijk een Chris­ten, dat betekent gezalfde.

God heeft Jezus Chris­tus zo lief, dat Hij niet wil dat Jezus Chris­tus de enige bli­jft. God heeft ons zo lief, dat Hij ons heeft uitverko­ren om Jezus Chris­tus gezelschap te houden.

Laat een reactie achter